Voorwaardelijke verplichting

Voorwaardelijke verplichting

Voorwaardelijke verplichtingen kunnen als planregel in een bestemmingsplan, wijzigingsplan of inpassingsplan worden opgenomen. Het is een planregel dat een verplichting inhoudt en deze verplichting geldt als voorwaarde voor het kunnen realiseren van de functie in het bestemmingsplan (of wijzigingsplan/ inpassingsplan). Denk aan de planregel dat een woningen pas mag worden gebouwd nadat is voorzien in voldoende parkeerplaatsen (zie mijn eerdere post: Parkeren in het bestemmingsplan).

Toelatingsplanologie

De Wet ruimtelijke ordening kent het uitgangspunt van toelatingsplanologie. Dat betekent dat een bestemmingsplan gebruikers van gronden en opstallen niet kan verplichten tot het uitvoeren van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld. Het bestemmingsplan geeft slechts aan wat er is toegelaten. Daarom is lang het uitgangspunt ook geweest dat voorwaardelijke verplichtingen in bestemmingsplannen niet mogelijk waren. Voorwaardelijke verplichtingen werden doorgaans in een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling bestuursrechtspraak) heeft de afgelopen jaren het opnemen van voorwaardelijke verplichtingen in bestemmingsplannen aanvaardbaar geacht. Zo kunnen verplichtingen van een grondeigenaar nu via de voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan worden vastgelegd in plaats van in een privaatrechtelijke overeenkomst. In sommige gevallen moet er zelfs een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen.

Een voorbeeld: ABRvS 29 december 2010, zaaknr. 201003274/1/R3, ECLI:NL:RVS:2010:BO9160

In deze zaak ging het om een wijziging van het bestemmingsplan waarmee de opslagplaats van betonelementen mogelijk werd gemaakt. Deze opslagplaats diende wel landschappelijk ingepast te worden. Het opslagperceel diende te worden omzoomd door een hoog opgaande haag van vier tot vijf meter hoog. Dat dit ook daadwerkelijk zou gebeuren, werd door de gemeente vastgelegd in een planrealisatieovereenkomst waarin een inspanningsverplichting was opgenomen om de haag te realiseren.

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak had de beoogde beplantingshaag in (de voorschriften van) het plan geregeld moeten worden (met een voorwaardelijke verplichting). De gemeenteraad had de aanleg van de beplantingshaag namelijk wel noodzakelijk geacht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Door dit niet als voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen, werd de landschappelijke inpassing onvoldoende in het plan gewaarborgd.

Voorwaardelijke verplichtingen en de Omgevingswet

Voorwaardelijke verplichtingen zijn eigenlijk niet meer weg te denken uit bestemmingsplannen. In het omgevingsplan (als de Omgevingswet in werking treedt, medio 2021) wordt een stap verder gegaan, daarin is de mogelijkheid opgenomen om gebodsbepalingen in het omgevingsplan op te nemen. De voorwaardelijke verplichting betreft een verplichting om de maatregel (zoals het realiseren van een haag) uit te voeren als de toegelaten functie wordt gerealiseerd. Een gebodsbepaling gaat verder: dat is een voorschrift in een omgevingsplan dat de burger een onvoorwaardelijke en rechtstreeks te handhaven verplichting oplegt om een bepaalde handeling te verrichten met het oog op de fysieke leefomgeving.

(Deze definitie van een gebodsbepaling in het omgevingsplan is afkomstig van: F.A.G. Groothuijse, B.J. Schueler, D. Korsse, A.G.A. Nijmeijer, T.E.P.A. Lam, S. Hillegers, Gebodsbepalingen in het omgevingsplan (onderzoek in opdracht van het Ministerie van I&M), (2015) Utrecht University Repository, p. 7)

Parkeren en het bestemmingsplan

Parkeren en het bestemmingsplan





Wordt in een (nieuw) bestemmingsplan een nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt, dan moet er aandacht worden besteed aan de parkeerbehoefte. Dit is een vereiste dat voortvloeit uit de verplichting in art. 3.1 lid 1 Wro: er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Uit de uitspraak van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:522) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Afdeling bestuursrechtspraak) blijkt dat het op dit punt nog niet altijd goed gaat.

In deze zaak gaat het om een wijziging van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, waarmee de realisatie van maximaal 100 woningen en bijbehorende voorzieningen in het plangebied mogelijk wordt gemaakt. Volgens appellanten zijn de bestemmingsplanregels met betrekking tot parkeren niet voldoende duidelijk. In de bestemmingsplanregels is in artikel 9, lid 9.2 (Voldoende parkeergelegenheid), van de planregels het volgende opgenomen:

“a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden – al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.

(…)

c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.”

Volgens appellanten is het niet duidelijk wat wordt bedoeld met ‘afbreuk aan de parkeersituatie‘.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt appellanten op dit punt in het gelijk en verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak op 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1152 en vervolgt: “Als voorwaarde voor het gebruikmaken van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 9, lid 9.2, onder c, van de planregels is gesteld dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de parkeersituatie. Het begrip “parkeersituatie” in de planregel wordt daarbij niet nader gedefinieerd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit een standaardregel is, die helder maakt dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken.”. De Afdeling bestuursrechtspraak is het daar niet mee eens. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt in welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag hiervan (het afwijken van bij omgevingsvergunning) gebruik kan maken. Deze onduidelijkheid maakt dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Wil het college de afwijkingsmogelijkheid bij omgevingsvergunning handhaven, dan zal in de planregel inzichtelijk gemaakt moeten worden onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft daarvoor al een voorzetje: door bijvoorbeeld de planregel te herformuleren en in de planregel inzichtelijk te maken onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt en/of toepassing te geven aan artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro. In dat artikel is bepaald dat in een bestemmingsplanregel (zoals de bestemmingsplanregel over parkeren zoals hier aan de orde) mag worden verwezen naar beleidsregels waarin een nadere uitleg wordt gegeven van de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgevoerd (in dit geval het afwijken bij omgevingsvergunning van het vereiste dat er voldoende parkeergelegenheid dient te zijn).
(meer…)

Internetconsultatie coördinatieregeling in de Algemene wet bestuursrecht – Deel I

Internetconsultatie coördinatieregeling in de Algemene wet bestuursrecht – Deel I

De coördinatieregeling in de Awb gaat op de schop. Vanaf 17 januari 2018 tot 18 mei 2018 loopt er een internetconsultatie van de wet Wijziging van de Awb in verband met de Omgevingswet . De wijziging van deze regeling betreft een voorbereiding op de komende Omgevingswet: een algemene coördinatieregeling, toepasbaar in het gehele omgevingsrecht zodat de afzonderlijke coördinatieregelingen kunnen worden geschrapt. In deze bijdrage gaat ik (mr. Regina Koning) in op de in de internetconsultatie voorgestelde coördinatieregeling.

Waarom een nieuwe regeling?

De aanleiding voor het aanpassen van de coördinatieregeling in de Awb (paragraaf 3.5.3. Awb) is zoals aangegeven in de introductie, de komende Omgevingswet. De Afdeling advisering adviseerde daartoe in de voorlichting van 25 januari 2012.(1)

In juli 2014 heeft er een concept-versie (juni 2014) van een algemene coördinatieregeling in de Awb ter consultatie voorgelegen (https://www.internetconsultatie.nl/coordinatieregeling/details). De consultatiereacties die destijds zijn gegeven, zijn in de concept-versie van januari 2018 verwerkt.

Los van de komende Omgevingswet bestaat er nog een aanleiding voor één algemene coördinatieregeling in de Awb. Reeds bij de totstandkoming en inwerkingtreding van de WSB (de Wet Samenhangende Besluiten, deze wet voorzag de Awb van een coördinatieregeling(2)) werd kritiek geuit op de zogenoemde ‘wildgroei’ of ‘lappendeken’ van coördinatieregelingen.(3) Terwijl dit juist met een algemene coördinatieregeling in de Awb voorkomen moest worden.(4) Debet daaraan was het gemis aanpassingswetgeving in de WSB, waarmee gesnoeid zou worden in de bestaande coördinatieregelingen in diverse wetten. Voorts zorgt de huidige coördinatieregeling in de Awb niet voor voldoende slagvaardig optreden. Zo bevat het bijvoorbeeld geen over-rule bevoegdheid zoals in een aantal coördinatieregelingen in bijzondere wetgeving wel bestaat. De aanpassingswetgeving is er niet gekomen en de coördinatieregelingen in bijzondere wetgeving zijn gebleven.(5) De Awb-coördinatieregeling is dan ook amper toegepast in de praktijk.(6)

In de MvT wordt benadrukt dat een coördinatieregeling een belangrijk instrument is om in gevallen waarin voor een activiteit of project meerdere besluiten vereist zijn, tot een gestroomlijnde en meer efficiënte besluitvormingsprocedure voor die activiteit of dat project te komen.(7) In de MvT wordt gewezen op de problemen waar burgers en bedrijven tegenaan kunnen lopen:

  • de aanvrager ontdekt niet of te laat dat hij een vergunningvereiste over het hoofd heeft gezien;
  • er ontstaat niet op hetzelfde moment duidelijkheid over de besluiten op de ingediende aanvragen;
  • aan besluiten verbonden voorschriften zijn tegenstrijdig;
  • bestuursorganen gaan op elkaar zitten wachten.

Deze en andere veel voorkomende problemen worden in de kern veroorzaakt door de ongelijktijdigheid van procedures en besluiten.”.(8) Coördinatie van besluitvorming en procedures voorziet in een stroomlijning van de procedures bij het voorbereiden en nemen van samenhangende besluiten en van de rechtsbescherming daartegen. Op p. 8 van de MvT lees ik de premisse waarop de toegevoegde waarde van een wettelijke regeling omtrent coördinatie is gebaseerd, kort en bondig: “Een geslaagde toepassing van de nieuwe coördinatieregeling leidt namelijk tot snellere en efficiëntere besluitvormingsprocedures.”.

De inhoud van de voorgestelde coördinatieregeling

De coördinatieregeling zoals voorgesteld in de versie van de internetconsultatie van januari 2018, is als het ware een mix van de huidige Awb coördinatieregeling en regelingen uit bijzondere wetgeving (zie het overzicht in de tabel op p. 2 en 3 van de MvT). De opbouw van de coördinatieregeling is als volgt:

  • Toepasselijkheid van de coördinatieregeling (art. 3:20)
  • het coördinatiebesluit (art. 3:21)
  • Taak coördinerend bestuursorgaan (art. 3:22): bevordert een doelmatige en samenhangende voorbereiding van besluiten
  • Procedurele bepalingen (art. 3:23-3:26)
  • Indeplaatstreding door coördinerend bestuursorgaan (art. 3:27)
  • Rechtsbescherming (art. 3:28-3:30)

In deze bijdrage ga ik in op drie onderwerpen: toepasselijkheid, het coördinatiebesluit en de indeplaatstreding. In Deel II besteed ik aandacht aan de overige onderwerpen: taak, procedure en rechtsbescherming.

Toepasselijkheid

De voorgestelde coördinatieregeling in de Awb is facultatief van aard. De regeling is alleen van toepassing in de gevallen waarin de regeling in de wet of bij besluit van de bevoegde bestuursorganen van toepassing is verklaard.

In de Omgevingswet, art. 16.7, zijn gevallen aangewezen waarop de nieuwe coördinatieregeling van toepassing is. Het gaat om de volgende gevallen:

  • Alle op grond van artikel 5.7 lid 2 Omgevingswet aangewezen wateractiviteiten. In het voorgenomen Omgevingsbesluit wordt voor deze gevallen het coördinerend bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, van dit wetsvoorstel aangewezen (zie artikel 8.23 van het Omgevingsbesluit). Voor een aantal van deze gevallen zijn in paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet aanvullende bepalingen voor de coördinatie opgenomen (voor coördinatie van de vergunningverlening voor een milieubelastende activiteit en lozingsactiviteit).
  • De nieuwe coördinatieregeling is van toepassing is op de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit waarvoor dat op grond van artikel 5.45, eerste of tweede lid, van de Omgevingswet is bepaald. Dat betekent dat de coördinatieregeling van toepassing is op besluiten ter uitvoering van de hoofdinfrastructurele projecten en de primaire waterkeringen die zijn aangewezen in artikel 5.46 van de Omgevingswet. Voor andere projecten kan het bevoegd gezag voor het project bepalen dat de coördinatieregeling wordt toegepast op besluiten ter uitvoering van het project.

Is de coördinatieregeling niet bij wet van toepassing verklaard, dan kunnen de bevoegde bestuursorganen gezamenlijk middels een coördinatiebesluit de coördinatieregeling van toepassing verklaren. Dit besluit dient gezamenlijk genomen te worden en tegen dit besluit staat geen rechtsbescherming open (art. 3:20 aanhef en onder b)(9).

Coördinatiebesluit en aanwijzing

De mogelijkheid tot het nemen van een coördinatiebesluit staat open voor bestuursorganen uit elke bestuurslaag.(10) Het coordinatiebesluit bevat verder de aanwijzing van het coördinerend bestuursorgaan en de reikwijdte van de betreffende coördinatie. De Awb coördinatieregeling als voorgesteld in deze internetconsultatie, beperkt derhalve niet de reikwijdte, zoals het huidige art. 3:21 lid 2 Awb (fiscale besluiten, besluiten inzake premieheffingen belastingen, sociale premies en zogeheten tenderbesluiten). De enige beperking die er is, aldus op p. 11 van de MvT, is dat de coördinatieregeling alleen van toepassing kan worden verklaard op besluiten die met elkaar samenhangen: “Het doel van de regeling is immers het bevorderen van een doelmatige en samenhangende voorbereiding van besluiten (zie het voorgestelde artikel 3:22).”.

Er hoeft geen coördinerend besluit te worden genomen als de Awb-coördinatie bij wet is voorgeschreven. Een voorbeeld is de voorgeschreven coördinatie in geval van een projectbesluit voor hoofdinfrastructuur en primaire waterkeringen (art. 16.7 lid 1 onder c jo. art. 5:45 lid 2 van de Omgevingswet). In dat geval is in de betreffende wettelijke regeling het coördinerend bestuursorgaan aangewezen (in het gegeven voorbeeld: art. 5.45 lid 3: het bevoegd gezag voor het projectbesluit). De aanwijzing (bij besluit of wet) van het coördinerend bestuursorgaan is niet zonder belang in het licht van de indeplaatstreding als geregeld in art. 3:27 Awb (Internetconsultatie).

Indeplaatstreding

De indeplaatstreding in art. 3:27 is een zwaar middel dat in een coördinatieprocedure kan worden ingezet door het coördinerend bestuursorgaan. Eenzelfde bepaling is reeds opgenomen in de huidige coördinatieregeling in art. 3.36 Wro en art. 20 lid 6 en 7 Tracéwet.

Op grond van art. 3:37 lid 1 en 2 kan het coördinerend bestuursorgaan in volgende gevallen een eigen besluit in de plaats laten treden van een besluit van een ander bevoegd bestuursorgaan:

  1. Het bestuursorgaan neemt te laat een beslissing.
  2. Het bestuursorgaan neemt geen beslissing.
  3. Het bestuursorgaan heeft ter uitvoering van een ander besluit, dat geen onderdeel uitmaakt van de coördinatie, een besluit genomen dat de goede uitvoering van dat andere besluit belemmert.

De indeplaatstreding is aanzienlijk beperkt in art. 3:27 lid 1 en 2: indeplaatstreding door het coördinerend bestuursorgaan bij door een bestuursorgaan te nemen besluiten, is alleen mogelijk indien een minister dan wel gedeputeerde staten zijn aangewezen als coördinerend bestuursorgaan (in de wettelijke regeling of in het gezamenlijke coordinatiebesluit). Dat betekent dat in de praktijk de indeplaatstreding alleen aan de orde zal zijn bij grotere projecten en/of project met een regionaal of nationaal belang. In dergelijke gevallen zal het immers meer voor de hand liggen dat de minister dan wel gedeputeerde staten wordt aangewezen als coördinerend bestuursorgaan.

In de toelichting wordt het mogelijk maken van een algemene regeling omtrent indeplaatstreding in geval van coördinatie in het gehele omgevingsrecht noodzakelijk geacht(11): “De ratio van de bevoegdheid tot indeplaatstreding is gelegen in het doel van de coördinatieregeling: het bevorderen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming (zie het huidige artikel 3:23). Als een van de betrokken bestuursorganen in gebreke blijft bij het nemen van een besluit en aldus niet de medewerking verleent die voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming nodig is, dient het coördinerend bestuursorgaan in het uiterste geval zelf het benodigde besluit te kunnen nemen.

De ervaringen uit het omgevingsrecht hebben geleerd dat de bevoegdheid tot indeplaatstreding onmisbaar is bij de coördinatie van samenhangende besluiten die zijn vereist voor omvangrijke ruimtelijke projecten zoals de aanleg van een snelweg, windmolenpark of elektriciteitscentrale. Het nationale of provinciale belang dat met dergelijke projecten wordt gediend vergt dat het coördinerend bestuursorgaan kan ingrijpen als door het in gebreke blijven van een van de betrokken bestuursorganen de voortgang van het project of zelfs de afronding daarvan in gevaar dreigt te komen. Nu de nieuw voorgestelde coördinatieregeling is bedoeld om toepasbaar te zijn in het gehele omgevingsrecht, kan deze bevoegdheid daarin niet ontbreken.”.

Er is vanuit de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) kritiek geuit op de eerdere versie van juni 2014 van de coördinatieregeling waarin nog een uitzondering was opgenomen in art. 3:22 Awb op de regel dat het coordinatiebesluit een gezamenlijk besluit is van de bevoegde bestuursorganen.(12) Op basis van die bepaling was het mogelijk dat buiten een bevoegd bestuursorgaan om een coordinatiebesluit zou worden genomen. Tegen het coordinatiebesluit staat vervolgens geen beroep open voor het bestuursorgaan. Via art. 3:27 kan dat bestuursorgaan wederom buiten spel worden gezet met een indeplaatstreding door het coördinerend bestuursorgaan. Dat gaat te ver volgens UvW: “De UvW wijst erop dat deze regeling ertoe leidt dat het coördinerend bestuursorgaan in bepaalde situaties bevoegd is om bijvoorbeeld alsnog een watervergunning te verlenen nadat een waterschap eerder heeft besloten deze vergunning te weigeren.”. Op basis van deze kritiek is art. 3:22 gewijzigd en kan een coordinatiebesluit alleen nog in gezamenlijkheid worden genomen. De bevoegde bestuursorganen kunnen bij het nemen van het coordinatiebesluit tevens de overweging meenemen dat een indeplaatstreding mogelijk is. Dit is, nogmaals, alleen aan de orde als in het coordinatiebesluit de minister of gedeputeerde staten als coördinerend bestuursorgaan is aangewezen. Indien de coördinatieregeling is voorgeschreven bij wet is de overweging dat er mogelijkheid gebruik wordt gemaakt van indeplaatstreding ook gewaarborgd: de opsteller van het wettelijk voorschrift heeft, met goedkeuring van het vertegenwoordigend orgaan (parlement of provinciale staten), bepaald dat de te coördineren besluiten dermate belangrijk zijn en met elkaar samenhangend, dat in het uiterste geval gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid tot indeplaatstreding.(13)

Ik voorzie een mogelijk obstakel voor toepassing van de coördinatieregeling bij besluit. De opstellers van de versie die voorafging aan deze internetconsultatie ook, zo begrijp ik uit de MvT. De indeplaatstreding is een zwaar middel dat kan worden ingezet waarmee de beslissingsbevoegdheid van een bestuursorgaan uit handen kan worden genomen. Ik kan me heel goed voorstellen dat in bepaalde situaties waarin de belangen groot zijn, het niet eenvoudig zal zijn alle bevoegde gezagen aan boord te krijgen voor een coördineerde besluitvorming. De mogelijk inzet van de indeplaatstreding dat als breekijzer of dreigend breekijzer kan worden ingezet, zal menig bevoegd bestuursorgaan afschrikken vermoed ik.

Volgende bijdrage

In de volgende bijdrage over dit onderwerp zal ik ingaan op de procedurele bepalingen en de rechtsbescherming. Daarbij zal ik ook ingaan op het zogenoemde koepelconcept (art. 16.8 Omgevingswet) en de mogelijkheid tot een ‘fasering’ van coördinatiebesluiten (art. 3:21 lid 3 Awb, internetconsultatie).

Mr. A.Z.R. (Regina) Koning

Eindnoten
1. Advies W.14.11.0238/IV, opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3.
2. Kamerstukken II 2006/07, 30 980, nr. 2 (Wet samenhangende besluiten Awb). Een voorontwerp voor dit wetsvoorstel dateert reeds uit 2000 en heeft aan de basis gestaan van enkele bijzondere coördinatieregelingen.
3. M.S. Beerten, Afstemming van besluiten. Een onderzoek naar een algemene afstemmingsregeling voor samenhangende besluiten, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2004 en; A.B. Blomberg, ‘Van ongecoördineerde coördinatie naar harmonisatie’, NTB, 2007/9, p. 344-354 en A.Z.R. Koning, ‘Informeren en coördineren met de Wet samenhangende besluiten (I)’, TBR 2008/174.
4. Kamerstukken II 2006/07, 30 980, nr. 3, p. 9.
5. Zie A.Z.R. Koning, ‘Informeren en coördineren met de Wet samenhangende besluiten (I)’, TBR2008/174, paragraaf 2.2.
6. Zie de internetconsultatie van de MvT, p. 2.
7. De internetconsultatie van de MvT, p. 3.
8. Internetconsultatie van de MvT, p. 3.
9. Zie de concept wettekst, p. 4. Art. 3:20 onder b wordt aan art. 8:4 Awb toegevoegd.
10. Zie de MvT, p. 11: Niet alleen bestuursorganen behorend tot de centrale overheid, maar ook gedeputeerde staten, gemeentelijke bestuursorganen en waterschapsbesturen kunnen een coördinatiebesluit nemen.
11. Zie de MvT, p. 4.
12. Zie de MvT, p. 9. Die bepaling hield, kort gezegd, in dat bestuursorganen van de centrale overheid of de provincie toepassing van de coördinatieregeling kunnen voorschrijven, indien de bevoegdheid tot het nemen van een of meer van de te coördineren besluiten bij hen berust. Zie de internetconsultatie uit 2014: https://www.internetconsultatie.nl/coordinatieregeling/details.
13. Zie de MvT, p. 10.

Eerder verschenen in Actualiteiten Bouwrecht (onderdeel IBRTracker)

Datum: 25-1-2018

Bron: Instituut voor Bouwrecht

Nieuwe westelijke rondweg Amersfoort mag er komen

Nieuwe westelijke rondweg Amersfoort mag er komen

Op 24 januari 2018 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (afgekort: Afdeling bestuursrechtspraak) uitspraak in de zaak bestemmingsplan ‘Westelijke ontsluiting’.

De gemeenteraad van Amersfoort stelde het bestemmingsplan vast op 11 oktober 2016 waarmee een aanpassing van de rondweg mogelijk wordt gemaakt aan de westkant van de stad. De weg wordt deels verdiept aangelegd. Ook komen er een aparte fietsroute en een fietsbrug. De zaak was aangespannen door de Vereniging Behoud Bos Birkhoven en Bokkeduinen, een groep omwonenden en het bedrijf AMVEST. Volgens hen bestaat er geen noodzaak voor het aanleggen van de nieuwe rondweg.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep meer mogelijk. De volledige tekst van de uitspraak kunt u hier lezen: ABRvS 24 januari 2018, zaaknr. 201609542/1, ECLI:NL:RVS:2018:246.

Bron: Persbericht Raad van State

 

Kruimelgevallenregeling en de uitzondering voor stedelijke ontwikkelingsprojecten

Kruimelgevallenregeling en de uitzondering voor stedelijke ontwikkelingsprojecten

Voor de praktijk is van groot belang om te weten of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. In dat geval kan geen gebruik gemaakt worden van de kruimelgevallenregeling als bedoeld in artikel 2.12. lid 1 onder a sub 2 Wabo. Eerder verscheen in Actualiteiten Bouwrecht een bijdrage hierover in het kader van de uitspraak van de Voorzieningenrechter op 7 december 2016 (zie de Redactionele bijdrage getiteld “Kruimels in het bestemmingsplan” op 22 december 2016) . In deze bijdrage van mr. A.Z.R. Koning volgt aansluitend een bespreking van een tweetal recente uitspraken.

Inleiding

In de bijdrage van 22 december 2016 werd ingegaan op de kruimelgevallenregeling in de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (hierna Bor) en de uitzondering in geval er sprake is van een activiteit opgesomd in bijlage C en D van het Besluit mer. Is er sprake van zo’n activiteit, dan kan er geen sprake zijn van een kruimelgeval als bedoeld in art. 2.12 lid 1 onder a, sub 2 Wabo. Dit is bepaald in art. 5 lid 6 van bijlage II van het Bor. Gevolg is dat er een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in art. 2.12 lid 1, onder a, sub 3 Wabo moet worden aangevraagd. Procedureel betekent dit dat niet de reguliere procedure (met een termijn van 8 weken) maar de uitgebreide procedure (met een termijn van 6 maanden) moet worden gevolgd. Het betekent ook dat in geval van een vastgoed- en gebiedsontwikkeling dat als een “nieuwe stedelijke ontwikkeling” aangemerkt dient te worden, de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) niet hoeft te worden toegepast. In tegenstelling tot een afwijking van het bestemmingsplan overeenkomstig art. 2.12, lid 1, onder a, sub 3 Wabo waarbij dat wel het geval is. Dit blijkt uit art. 5.20 Besluit ruimtelijke ordening: “Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.”.

De vraag in de uitspraak van de Voorzieningenrechter op 7 december 20167 was of voor de toepasselijkheid van de hiervoor genoemde uitzondering de drempels opgenomen in de kolom 2 van bijlage C en D van het Besluit mer relevant zijn. De Voorzieningenrechter gaf in zijn oordeel omtrent de voorlopige voorziening aan dat de drempelwaarden niet relevant zijn. De Voorzieningenrechter leidt dat af uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Bor (Stb. 2014, 333, p. 58).

In deze bijdrage wordt ingegaan op twee uitspraken: een uitspraak waarin de Rechtbank de uitspraak van de Voorzieningenrechter bevestigt waarbij het wederom ging om de activiteit ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ en een recente uitspraak waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze twee uitspraken komen aan de orde gezien de samenhang tussen beide bekeken vanuit het oogpunt van toepasselijkheid van de kruimelgevallen regeling.

Uitspraak Rechtbank Limburg 14 april 2017

De casus is als volgt. Het college van B&W heeft aan vergunninghouders een omgevingsvergunning op grond van de Wabo verleend voor het verbouwen en het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan van een pand ten behoeve van de vestiging van het detailhandelsbedrijf Decathlon, het plaatsen van reclame en het realiseren van een playground op het buitenterrein. De omgevingsvergunning is verleend krachtens artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2 van de Wabo (ook wel een kruimelvergunning genoemd). Eiseressen gaan in beroep tegen deze vergunningverlening. Volgens eiseressen kan er in dit geval geen gebruik worden gemaakt van de kruimelgevallenregeling overeenkomstig art. 4, lid 9 van bijlage II bij het Bor. Het bepaalde in art. 5, lid 6 van bijlage II bij het Bor staat hieraan in de weg en verweerder was daarom gehouden toepassing te geven aan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van paragraaf 3.3 van de Wabo.

Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een uitgezonderde activiteit als bedoeld in art. 5 lid 6 van bijlage II bij het Bor (een activiteit opgesomd in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer), verwijst de Rechtbank naar de uitspraak van de Voorzieningenrechter op 7 december 2016 en – evenals de Voorzieningenrechter deed – de Nota van toelichting bij de wijziging van het Bor (Stb. 2014, 333, p. 58). Ook de rechtbank concludeert dat alleen kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer voor de toepassing van artikel 5, lid 6 van bijlage II bij het Bor relevant is. Is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, dan kan de kruimelregeling in het Bor niet worden toegepast.

Stedelijk ontwikkelingsproject?

In beide uitspraken, van 7 december 2016 en van 14 april 2017, ging het (al dan niet) om de activiteit ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. De vraag is in dit kader derhalve relevant wat verstaan dient te worden onder een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer.(1)

In de Nota van Toelichting op het Besluit van 21 februari 2011 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage)(2) staat over de categorie stedelijk ontwikkelingsproject het volgende: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.

Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”

Er zal derhalve per geval moeten worden beoordeeld of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject waarbij van belang is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn.

Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 maart 2017

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) is aan de orde of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit mer. Volgens de gemeenteraad is dat afhankelijk van de vraag of er als gevolg van het project per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Is dat het geval, dan is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. De Afdeling bestuursrechtspraak wijst deze interpretatie echter af.

De Afdeling geeft aan (in r.o. 13.4) dat het begrip “stedelijk ontwikkelingsproject” ruimte biedt voor interpretatie waardoor er discussie kan ontstaan over de vraag wanneer er sprake is van een wijziging van een dergelijk project en vervolgt dan: “De Afdeling legt artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet zo uit dat iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, moet worden aangemerkt als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en artikel 2 onderdeel A van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol.” De Afdeling concludeert dat in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject, als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit mer nu er wordt voorzien in een bouwmarkt met een tuincentrum en drive-in met een gezamenlijk bvo van 20.215 m². De Afdeling is het met de gemeenteraad eens dat de wijziging van het materiële gebruik van het perceel niet zodanig is dat daardoor belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De motivering van de mer-beoordeling dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, kan volgens de Afdeling door de beugel.

De Afdeling lijkt hier de beoordeling of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en de (vorm vrije) mer-beoordeling, van elkaar te onderscheiden. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject moet volgens de Afdeling beoordeeld worden op basis van aard en omvang van het project en niet (uitsluitend) of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Daarna, maar dat is voor deze bijdrage niet zo relevant, dient beoordeeld te worden of er al dan niet een MER moet worden opgesteld. En dat is het geval als niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Conclusie

In geval van vastgoed- en gebiedsontwikkeling, kan onder voorwaarden gebruik gemaakt worden van de kruimelgevallen regeling waardoor de reguliere vergunningprocedure van 8 weken uit de Wabo van toepassing is. Deze regeling kan niet worden toegepast als er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer. In deze bijdrage zijn twee uitspraken besproken waaruit blijkt dat:

  • voor het bepalen of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, de drempelwaarde in kolom 2 van die bijlage niet relevant is, en;
  • voor het bepalen of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gekeken moet worden naar aard en omvang van het project.

Mr. A.Z.R. (Regina) Koning

Eindnoten:

  1. De activiteit in deze categorie is als volgt omschreven: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
  2. Stb 2011, 102, p. 51

Eerder verschenen in Actualiteiten Bouwrecht (onderdeel IBRTracker)

Datum: 08-06-2017

Met onmiddellijke ingang exit ‘ne bis in idem’

Met onmiddellijke ingang exit ‘ne bis in idem’

Op de website van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) verscheen gisteren een persbericht met daarin het bericht dat het uitgangspunt van ‘ne bis in idem’, door de Afdeling wordt verlaten. Deze nieuwe lijn wordt onmiddellijk gehanteerd. De uitspraak onderstreept nog eens de dynamiek die er is in het bestuursprocesrecht en het belang voor de bouwrecht-praktijk om dit goed bij te houden.

De IBR studiedag “Bestuursprocesrecht in het omgevingsrecht” (op 1 december 2016) biedt hiertoe bij uitstek de mogelijkheid! U kunt zich nog inschrijven: http://bit.ly/2g8LWl6.

De Afdeling bestuursrechtspraak komt tot dit oordeel in een vreemdelingenzaak (op 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131) en geeft daarbij aan dat deze lijn niet meer alleen geldt voor vreemdelingenzaken, maar voor alle zaken ongeacht de stand waarin een zaak zich bevindt.

Wat houdt het verlaten van het uitgangspunt van ne bis in idem in?

Ne bis in idem betekent letterlijk: niet twee keer voor hetzelfde. Het betreft een rechtsbeginsel dat met name bekend is uit het strafrecht waaruit voortvloeit dat iemand niet twee maal mag worden veroordeeld voor hetzelfde strafbare feit. De uitwerking van dit rechtsbeginsel in het bestuurs(proces)recht houdt in dat er niet meermalen wordt geoordeeld over dezelfde zaak. Dat betekent dat een bestuursorgaan alleen kan terugkomen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit als er gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (art. 4:6 Awb).(1) Voor het bestuursprocesrecht betekent dit dat de bestuursrechter het betreffende besluit alleen toetst als ware het een eerste besluit, als er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (afgekort: nova).

Op deze vaste lijn in de jurisprudentie wordt nu in alle bestuursrechtelijke zaken afgeweken, zo oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak in de onderhavige vreemdelingenzaak in r.o. 3.3-3.6. In r.o 3.4 is de nieuwe lijn als volgt verwoord:

“Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.”.

In r.o. 3.6. geeft de Afdeling bestuursrechtspraak aan hoe de toetsing dan plaatsvindt:

“Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Als het bestuursorgaan zulk beleid niet voert en het hierover in het besluit ook geen standpunt heeft ingenomen, dan zal de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen zodanig standpunt alsnog in te nemen.”.

Waarom van belang?

Het belang van deze uitspraak is aanzienlijk. Een bestuursorgaan zal nu immers een herhaalde aanvraag of verzoek om terug te komen van een (ambtshalve) genomen besluit niet alleen kunnen afwijzen wegens het ontbreken van nova, maar dat ook op inhoudelijke gronden.

Mr. A.Z.R. Koning

Eindnoot

1. Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male, Hoofdstukken van het bestuursrecht, Reed Business: Amsterdam 2011, p. 605 (randnummer 36 van hoofdstuk 14).

Bron: Instituut voor Bouwrecht

Brondatum: 24-11-2016