Op de website van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) verscheen gisteren een persbericht met daarin het bericht dat het uitgangspunt van ‘ne bis in idem’, door de Afdeling wordt verlaten. Deze nieuwe lijn wordt onmiddellijk gehanteerd. De uitspraak onderstreept nog eens de dynamiek die er is in het bestuursprocesrecht en het belang voor de bouwrecht-praktijk om dit goed bij te houden.

De IBR studiedag “Bestuursprocesrecht in het omgevingsrecht” (op 1 december 2016) biedt hiertoe bij uitstek de mogelijkheid! U kunt zich nog inschrijven: http://bit.ly/2g8LWl6.

De Afdeling bestuursrechtspraak komt tot dit oordeel in een vreemdelingenzaak (op 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131) en geeft daarbij aan dat deze lijn niet meer alleen geldt voor vreemdelingenzaken, maar voor alle zaken ongeacht de stand waarin een zaak zich bevindt.

Wat houdt het verlaten van het uitgangspunt van ne bis in idem in?

Ne bis in idem betekent letterlijk: niet twee keer voor hetzelfde. Het betreft een rechtsbeginsel dat met name bekend is uit het strafrecht waaruit voortvloeit dat iemand niet twee maal mag worden veroordeeld voor hetzelfde strafbare feit. De uitwerking van dit rechtsbeginsel in het bestuurs(proces)recht houdt in dat er niet meermalen wordt geoordeeld over dezelfde zaak. Dat betekent dat een bestuursorgaan alleen kan terugkomen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit als er gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (art. 4:6 Awb).(1) Voor het bestuursprocesrecht betekent dit dat de bestuursrechter het betreffende besluit alleen toetst als ware het een eerste besluit, als er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (afgekort: nova).

Op deze vaste lijn in de jurisprudentie wordt nu in alle bestuursrechtelijke zaken afgeweken, zo oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak in de onderhavige vreemdelingenzaak in r.o. 3.3-3.6. In r.o 3.4 is de nieuwe lijn als volgt verwoord:

“Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.”.

In r.o. 3.6. geeft de Afdeling bestuursrechtspraak aan hoe de toetsing dan plaatsvindt:

“Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Als het bestuursorgaan zulk beleid niet voert en het hierover in het besluit ook geen standpunt heeft ingenomen, dan zal de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen zodanig standpunt alsnog in te nemen.”.

Waarom van belang?

Het belang van deze uitspraak is aanzienlijk. Een bestuursorgaan zal nu immers een herhaalde aanvraag of verzoek om terug te komen van een (ambtshalve) genomen besluit niet alleen kunnen afwijzen wegens het ontbreken van nova, maar dat ook op inhoudelijke gronden.

Mr. A.Z.R. Koning

Eindnoot

1. Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male, Hoofdstukken van het bestuursrecht, Reed Business: Amsterdam 2011, p. 605 (randnummer 36 van hoofdstuk 14).

Bron: Instituut voor Bouwrecht

Brondatum: 24-11-2016