Wordt in een (nieuw) bestemmingsplan een nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt, dan moet er aandacht worden besteed aan de parkeerbehoefte. Dit is een vereiste dat voortvloeit uit de verplichting in art. 3.1 lid 1 Wro: er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Uit de uitspraak van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:522) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Afdeling bestuursrechtspraak) blijkt dat het op dit punt nog niet altijd goed gaat.

In deze zaak gaat het om een wijziging van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, waarmee de realisatie van maximaal 100 woningen en bijbehorende voorzieningen in het plangebied mogelijk wordt gemaakt. Volgens appellanten zijn de bestemmingsplanregels met betrekking tot parkeren niet voldoende duidelijk. In de bestemmingsplanregels is in artikel 9, lid 9.2 (Voldoende parkeergelegenheid), van de planregels het volgende opgenomen:

“a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden – al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.

(…)

c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.”

Volgens appellanten is het niet duidelijk wat wordt bedoeld met ‘afbreuk aan de parkeersituatie‘.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt appellanten op dit punt in het gelijk en verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak op 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1152 en vervolgt: “Als voorwaarde voor het gebruikmaken van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 9, lid 9.2, onder c, van de planregels is gesteld dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de parkeersituatie. Het begrip “parkeersituatie” in de planregel wordt daarbij niet nader gedefinieerd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit een standaardregel is, die helder maakt dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken.”. De Afdeling bestuursrechtspraak is het daar niet mee eens. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt in welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag hiervan (het afwijken van bij omgevingsvergunning) gebruik kan maken. Deze onduidelijkheid maakt dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Wil het college de afwijkingsmogelijkheid bij omgevingsvergunning handhaven, dan zal in de planregel inzichtelijk gemaakt moeten worden onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft daarvoor al een voorzetje: door bijvoorbeeld de planregel te herformuleren en in de planregel inzichtelijk te maken onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt en/of toepassing te geven aan artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro. In dat artikel is bepaald dat in een bestemmingsplanregel (zoals de bestemmingsplanregel over parkeren zoals hier aan de orde) mag worden verwezen naar beleidsregels waarin een nadere uitleg wordt gegeven van de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgevoerd (in dit geval het afwijken bij omgevingsvergunning van het vereiste dat er voldoende parkeergelegenheid dient te zijn).

Vanaf 1 juli 2018 vervalt oude recht

Tot de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014/458, op 29 november 2014) waren de parkeernormen bij veel gemeenten geregeld in de bouwverordening. Met deze reparatiewet (een wijziging van de Woningwet) werd de grondslag voor de stedenbouwkundige voorschriften in een bouwverordening ingetrokken. Stedenbouwkundige voorschriften, zoals het parkeren, moeten in het bestemmingsplan zelf geregeld worden. Gemeenten hebben met een overgangsregeling de tijd gekregen om bestaande bestemmingsplannen aan te passen. Op 1 juli 2018 verloopt de termijn en is het oude recht (de parkeernormen in bouwverordeningen) niet langer van toepassing. Gemeenten kunnen de bestaande bestemmingsplannen vrij eenvoudig aanpassen met een zogenoemde parapluregeling waarmee in een keer aan alle bestemmingplannen een parkeerregeling wordt toegevoegd.

Op 1 november 2014 trad ook een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in werking: art. 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro (deze bepaling werd ook in de hiervoor besproken uitspraak genoemd). Deze bepaling luidt als volgt: ”Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten:

  1. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels;”.

Dat betekent dat een bestemmingsplanregel waarin zinsneden als ‘voldoende parkeergelegenheid’ en ‘geen afbreuk aan de parkeersituatie’ worden toegepast door de beugel kunnen als in de beleidsregels duidelijk is uitgelegd hoe beoordeeld wordt wanneer er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en in welke gevallen er geen afbreuk wordt gedaan aan de parkeersituatie.

Aandachtpunten voor de praktijk: – Houd in het bestemmingsplan voldoende ruimte voor parkeren met bijvoorbeeld een toepasselijke bestemming of een bebouwingspercentage. – Neem daarbij een voorwaardelijke verplichting op in de bestemmingsplanregels waarmee ruimte blijft voor een nadere invulling. Een veel toegepaste bestemmingsplanregel is dat er “voldoende parkeerruimte” dient te zijn. Let op: daarbij moet dan verwezen worden naar beleid waarin de parkeernormen zijn opgenomen. Of er wordt verwezen naar de parkeernormen van het CROW.
Share This